Situatie op 01 januari 2020 zoals bekend in db2p op 28 oktober 2020

Werknemers

Hoeveel aanvullend pensioen bouwen werknemers op?

Op 1 januari 2020 waren 3.558.505 mensen aangesloten bij een aanvullend pensioenplan voor werknemers, 58% mannen en 42% vrouwen. Dat is ongeveer 91% van alle mensen met een aanvullend pensioen gekend in db2p.

42% van aangesloten werknemers bouwt aanvullend pensioen op in sectorplan

Ongeveer 42% van alle aangesloten werknemers heeft enkel binnen één of meerdere sectorplannen verworven reserves opgebouwd. 33% van de aangesloten werknemers heeft enkel verworven reserves opgebouwd binnen één of meerdere ondernemingsplannen. De combinatie ondernemings- en sectorplan vertegenwoordigt nog eens 15% van alle aangesloten werknemers. De aangeslotenen met enkel pensioenrechten in een ondernemingsplan hebben de hoogste gemiddelde verworven reserve, namelijk € 30.242.

Nog zo’n 10% van alle werknemers is aangesloten bij een of meer ‘andere werknemersregelingen’ en/of heeft een VAPW overeenkomst, al dan niet in combinatie met een ondernemings- en/of sectorplan. Aangeslotenen bij zowel een ‘andere werknemersregeling’ als een ondernemingsplan, hebben de hoogste gemiddelde reserve, deze bedraagt € 78.063.

70% van alle aangesloten werknemers bouwt nog actief aanvullend pensioen op

Zowel bij mannen als bij vrouwen, vinden we het hoogste aantal aangesloten werknemers (meer dan 900.000) terug bij de 36- tot 45 jarigen. Ongeveer 56% van de aangesloten werknemers is jonger dan 45 jaar. In elke leeftijdscategorie tellen we meer mannen dan vrouwen.

Zo’n 70% (47% + 23%) van alle aangeslotenen bij een werknemersplan bouwt nog actief rechten op via hun huidige job. 30% is enkel passief aangesloten dankzij een eerdere job als werknemer. 

Je kan onderstaande grafieken filteren volgens het soort pensioenplan (of combinaties van soorten pensioenplannen) waarin werknemers aanvullend pensioen opbouwen. Zo zien we dat de aangeslotenen bij een sectorplan jonger zijn dan deze bij een ondernemingsplan.

Gemiddelde verworven reserve het hoogst voor 56- tot 65-jarigen

De gemiddelde verworven reserve voor alle werknemers bedraagt € 17.742, de mediaan pensioenreserve ligt op €2.396. 

De verworven reserves nemen toe met de leeftijd, met een maximum voor de aangeslotenen die de pensioenleeftijd naderen, 56 tot 65 jaar oud. De gemiddelde verworven reserve in deze categorie bedraagt € 47.113, de mediaan pensioenreserve bedraagt hier € 6.273. In elke leeftijdscategorie ligt de gemiddelde en mediaan verworven reserve hoger voor mannen dan voor vrouwen.

Je kan opnieuw onderstaande grafiek filteren op het soort pensioenplan (of combinaties van soorten pensioenplannen). Als een bepaalde categorie minder dan 5 aangeslotenen heeft, dan wordt deze categorie niet weergegeven in deze grafiek. De hoogste gemiddelde verworven reserve voor aangeslotenen met enkel pensioenrechten binnen een sectorplan bedraagt € 3.435 (56 tot 65 jaar oud). Bij aangeslotenen met enkel pensioenrechten binnen een ondernemingsplan ligt de hoogste gemiddelde verworven reserve heel wat hoger, namelijk op € 83.928 (56 tot 65 jaar oud).

Ongelijkheid groter bij oudere aangeslotenen

De S80/S20 kwintielverhouding is een maatstaf voor ongelijkheid en toont hoe de gemiddelde verworven reserve van de 20% aangeslotenen met de hoogste verworven reserves (S80) zich verhoudt tot deze van de 20% aangeslotenen met de laagste verworven reserves (S20). Een S80/S20 van 10 betekent dat het gemiddelde bedrag van de 20% aangeslotenen met de hoogste reserve 10 keer hoger is dan dat van de 20% aangeslotenen met de laagste pensioenreserve. We berekenen deze verhouding per leeftijdscategorie en per geslacht; de 65 plussers worden weggelaten. 

Voor alle leeftijdsgroepen, behalve voor de jongste, is de ongelijkheid groter bij vrouwen dan bij mannen (de S80/S20 kwintielverhouding ligt dus hoger). De ongelijkheid is ook groter bij ouderen: de S80/S20 voor vrouwen tussen 56 en 65 jaar oud is 574, voor mannen in deze leeftijdsgroep is dat 400.

Deze grafiek kan ook worden gefilterd per soort pensioenplan (of combinaties). Als na het filteren een bepaalde categorie 5 of minder aangeslotenen bevat, dan wordt deze categorie niet opgenomen.

Definities

Sommige mensen bouwen een aanvullend pensioen op terwijl ze werken. Werknemers kunnen een aanvullend pensioen opbouwen als hun werkgever of bedrijfssector een aanvullende pensioenplan aanbiedt of ze kunnen er ook zelf een opbouwen via een vrij aanvullend pensioen voor werknemers (VAPW). Zelfstandigen kunnen een aanvullend pensioen voor zichzelf voorzien door een overeenkomst af te sluiten bij een pensioeninstelling. Bij pensionering wordt het aanvullend pensioen (of tweedepijlerpensioen) uitbetaald bovenop het wettelijk pensioen (eerstepijlerpensioen).

Het pensioensparen (derdepijlerpensioen), dat mensen individueel – los van hun beroep – op eigen initiatief kunnen doen bij een bank of verzekeraar, wordt hier niet beschouwd als ‘aanvullend pensioen’.


  • Werknemer of zelfstandige die is aangesloten bij een aanvullend pensioenplan en aanvullende pensioenrechten opbouwt of heeft opgebouwd.
  • In onze cijfers is een aangeslotene: elke persoon waarvoor er op 1 januari van het betrokken jaar een rekeningstand met pensioenreserves is geregistreerd in db2p door de pensioeninstelling.

Pensioeninstellingen geven jaarlijks de stand van de rekening van de aangeslotene door aan db2p. Het gaat telkens om de situatie van de individuele pensioenrechten op 1 januari van het betrokken jaar (of dus het evaluatiejaar).


Leeftijd wordt berekend als 'evaluatiejaar minus geboortejaar', het betreft dus de leeftijd die bereikt wordt in het evaluatiejaar.


Iemand is ‘actief aangesloten’ als hij/zij enkel één of meerdere actieve aansluiting(en) heeft bij een aanvullend pensioen.


Iemand is ‘passief aangesloten’ als hij/zij enkel één of meerdere inactieve aansluiting(en) heeft bij een aanvullend pensioen.


Iemand is ‘zowel actief als passief aangesloten’ als hij/zij zowel tenminste één actieve als één inactieve aansluiting heeft bij een aanvullend pensioen.


Een aansluiting is ‘actief’ als de aangeslotene in zijn huidige job bijkomende pensioenrechten opbouwt bij het aanvullend pensioenplan. Bijvoorbeeld als de werknemer nog in dienst is bij de inrichter (werkgever of sector) of als de zelfstandige nog bedrijfsleider is van de inrichter (vennootschap) of als de aangeslotene nog bijdragen stort in het VAPZ, VAPW of VAPZNP.


Een aansluiting is ‘inactief’ als de aangeslotene in het verleden wel aanvullend pensioen opbouwde, maar op dit moment geen bijkomende pensioenrechten meer kan opbouwen in het aanvullend pensioenplan. Bijvoorbeeld als de werknemer niet meer in dienst is bij de inrichter (werkgever of sector) of als de zelfstandige geen bedrijfsleider meer is van de inrichter (vennootschap) of als de aangeslotene afgelopen jaar geen bijdragen meer stortte in het VAPZ, VAPW of VAPZNP. De al opgebouwde pensioenreserves worden dan achtergelaten in het pensioenplan van de eerdere (oude) werkgever, sector of vennootschap, …


Dit is een pensioenplan dat binnen een paritair comité wordt ingevoerd en voor de hele bedrijfssector geldt. Zo bestaan er bijvoorbeeld sectorplannen in de bouw, de voedingsnijverheid, de scheikundige nijverheid, de non-profitsector, …


Het ondernemingsplan is de pensioentoezegging of belofte die een werkgever doet aan één of meerdere werknemers om een aanvullend pensioen op te bouwen. Er bestaan verschillende soorten zoals het pensioenplan van de werkgever (voor meerdere of alle werknemers) en de individuele pensioentoezegging (voor één specifieke werknemer).

  • Collectief ondernemingsplan
    • Dit is een aanvullend pensioenplan dat door een werkgever wordt ingevoerd voor alle of een deel van zijn werknemers.
  • Individueel ondernemingsplan
    • Een werkgever kan - onder bepaalde strikte voorwaarden - een aanvullend pensioen beloven aan één welbepaalde werknemer. Men spreekt dan van een individuele pensioentoezegging.

Het VAPW is een aanvullende pensioenovereenkomst die is voorbehouden voor werknemers met een arbeidsovereenkomst (en dus niet voor statutaire ambtenaren en zelfstandigen). De werknemer kiest zelf een pensioeninstelling, een pensioenplan en een jaarlijkse bijdrage. Deze jaarlijkse bijdrage is evenwel gelimiteerd.


Deze restcategorie omhelst vier verschillende types pensioenplannen, aansluitingen bij ‘onthaalstructuren’ en aansluitingen bij ‘oude beperkte regelingen’ zijn veruit de belangrijkste twee binnen deze categorie. De ‘bijzondere individuele overeenkomst’ en de ‘individuele pensioeneis’ zijn de twee andere onderliggende types pensioenplannen.

  • Onthaalstructuren
    • Dit is een rekening voor de pensioenreserves na uittreding. Als de aangeslotene uit dienst treedt, kan hij/zij er voor kiezen om zijn/haar reserves niet in het pensioenplan te laten, maar over te dragen naar een onthaalstructuur. Een onthaalstructuur is een verzekeringsovereenkomst of een bijzonder reglement binnen een pensioenfonds onderschreven door de inrichter van een pensioenplan (de werkgever of sectorale inrichter) om de achtergelaten of overgedragen pensioenreserves te beheren.
  • Oude beperkte regelingen
    • Deze regelingen waren reeds beperkt vóór 2011 en de inrichter bestaat niet meer of is niet meer gekend. Een beperkte regeling is een regeling met pensioenreserves die niet langer beheerd worden conform het pensioenreglement of de pensioenovereenkomst. De pensioeninstelling heeft het pensioenplan 'beperkt' en de reserves teruggebracht tot het niveau dat gewaarborgd kan worden op basis van de reeds betaalde bijdragen.
  • Individuele pensioeneis
    • Een individuele pensioeneis is de mogelijkheid om na uittreding een eerdere pensioentoezegging op individuele basis verder te zetten. Onder bepaalde strikte voorwaarden kan een aangeslotene na uittreding van zijn/haar nieuwe werkgever (indien hier geen pensioentoezegging bestaat) eisen om bedragen in te houden op zijn/haar loon en door te storten aan een door de aangeslotene gekozen pensioeninstelling.
  • Bijzondere individuele overeenkomst
    • Dit is een rekening met pensioenreserves die na uittreding worden beheerd zonder band met het pensioenplan van de vroegere of de nieuwe werkgever (of sector). Na de uitdiensttreding kan men er voor kiezen om de reserves over te dragen naar een bijzonder individueel levensverzekeringscontract. Het gaat om een specifiek type van verzekeringscontracten, waarvoor bijzondere regels gelden en die enkel mogen worden aangeboden door verzekeraars die daartoe over een bijzondere erkenning beschikken.

Dit is het bedrag aan pensioenreserves die een aangeslotene op een bepaald ogenblik heeft opgebouwd en die verworven zijn. Deze reserves kunnen niet meer worden afgenomen van de aangeslotene en kunnen worden overgedragen naar een andere pensioeninstelling indien de aangeslotene bij nieuw pensioenplan wordt aangesloten. Het betreft telkens de verworven reserve van op 1 januari van het evaluatiejaar.


Dit is een maatstaf voor ongelijkheid en geeft de verhouding van het gemiddelde van de 20% aangeslotenen met de hoogste verworven reserves (S80) en het gemiddeld van de 20% aangeslotenen met de laagste verworven reserves (S20).

Methodologie

Downloads

DEFINITIES
METHODOLOGIE